Marijn Devalck: Ik wou vrachtwagenchauffeur worden

Wie Marijn Devalck zegt, denkt ‘Boma’. Maar Marijn is veel meer dan dat: zanger, componist, musicalartiest, geschoold acteur, snor van het jaar én politicus. Geboren in Ninove (in de kliniek) uit ouders die van Brakel en Vollezele waren. Hij woont, met zijn echtgenote Ilse, in Zegelsem, een klein gehucht van Brakel. Hij ontvangt ons in een kamer vol muziekinstrumenten en we praten ronduit over zijn carrière als de jonge Marino Falco, over zijn hoofdrol in de Duitse Jesus Christ Superstar, over zijn toneelwerk, zijn rol van Boma in De Kampioenen en nog zoveel meer. Dat een flauwe plezante hem onlangs op de sociale media had doodverklaard is hem niet aan te zien. Hij blaakt van levenslust en enthousiasme voor wat hem bezig houdt. En dat is heel wat, mijn gedacht!

Het begon allemaal op zeer jonge leeftijd. Je bracht de liedjes die je zelf componeerde op het podium als Marino Falco, een voor de hand liggend pseudoniem.

Marijn De Valck Marino Falco

Ik was al op mijn dertiende-veertiende jaar beginnen componeren en optreden. Er werden mij liefdesliedjes aangeboden die anderen, volwassenen, hadden geschreven. Daarom schreef ik mijn eigen nummers. Mijn eerste successingle heette ‘Je n’ai plus mon papa’ en op het B-kantje stond ‘Ma première cigarette’. Marijn was pas 6 jaar toen zijn vader overleed. Dat ik toen in het Frans zong – ik hou nog altijd van het Franse chanson – had vooral met de tijdsgeest te maken. Op radio en TV kwam Nederlandstalige muziek nauwelijks aan bod, op een Will Tura of een Bob Benny na. Er is daar op het einde van de jaren zestig zelfs protest tegen geweest o.m. Louis Neefs als boegbeeld.

Maar je bleef niet in het Frans zingen.

Neen, wij veranderden van repertoire en gingen met een acht man sterk orkest (The Mayfair Set) op tournee. We brachten veel soulmuziek en ik zorgde voor een mooie show en aangepaste costumering. Ik had zelfs een staartje in mijn haar, met een strik. Dat zinde niet iedereen. En het feit dat ik mooi en verzorgd Nederlands sprak leverde me vaak het verwijt op een ‘Ollander’ te zijn.

Maar ook dat bleef niet duren.

Neen, de orkesten kregen het zwaar te verduren met de opkomst van de disc jockeys. We hebben een tijdje gezocht naar een formule om de deejays de baas te blijven maar het orkest viel uiteen. Ik was pas 20 jaar (1971) toen het tijdperk Marino Falco erop zat.

Maar je had niet stil gezeten.

Marijn De Valck funky

In 1969-1970 was ik met Jean Blaute, die in de begeleidingsband van Marino Falco, The Eagles had gespeeld,  naar het conservatorium getrokken om er muziek te leren. Ondertussen werkte ik als PR-man bij de platenfirma Ronnex van Albert Van Hoogten in Brussel. Albert was zowat de Brusselse Hugh Hefner, een bijzondere man. Ik kon die dingen goed combineren. Ondertussen waren ze in de Munt met musical begonnen en ik moest op een bepaald moment iemand vervangen in The Last Sweat Days of Isac. Zo kwam ik in de musical terecht en ontmoette er o.m. Charles Cornette en Hilde Uitterlinden. Zij vonden dat ik een acteur was en een theateropleiding moest volgen. Eigenlijk wilde ik toen vrachtwagenchauffeur worden want ik had geen enkel diploma. De jonge carrière haalde mijn schooltijd overhoop. Ik ging tot mijn veertiende bij de Broeders van Liefde in Brakel op school en de fabrieksmeisjes kwamen aan de schoolpoort staan om een handtekening te bedelen of zelfs een tong te draaien. Ik moest op aanraden van de dokter de school verlaten omdat ik er door een paar Broeders gepest werd. Mijn moeder trok met mij naar de Rijksschool, maar daar werd ik geweigerd omdat de Directeur de goede verstandhouding met de Broedersschool niet in het gedrang wou brengen. Dus daar stond ik. Veertien jaar en op straat. Vandaar dat mijn mama nu heel blij was met de goede raad van Charles en Hilde. Ze vond dat ik echt die theateropleiding moest volgen.

En?

Ik deed ingangsexamen en mocht beginnen. We zaten maar met twee in ons jaar: Josse De Pauw en ikzelf. Op drie jaar tijd werd ik gevormd tot drama-acteur. Na het tweede jaar kreeg ik een dipje maar Senne Rouffaer spoorde me aan vol te houden. Ik had mijn draai gevonden en had meteen werk. Tot twee jaar na mijn afstuderen speelde ik bij het MMT om dan over te stappen naar het Gentse Arena Theater. Tegelijkertijd begon ik als presentator bij de BRT Dienst Jeugd en speelde ik de rol van Brozie in de TV-reeks De Paradijsvogels. Op een bepaald moment speelde ik in Arena de rol van Judas in de Vlaamse versie van Jesus Christ Superstar. Vanuit Oberhausen in Duitsland kwamen ze naar onze opvoeringen kijken en ik kreeg de hoofdrol, die van Jezus, in de Duitse versie. Die Jezus had toen al mijn beroemde Marijnsnor en liep in jeans over de bühne. Vanwege het grote succes werd mijn contract in Duitsland met een jaar verlengd. Ondertussen deed ik ook andere dingen, schoolvoorstellingen bijvoorbeeld. Soms speelden we wel drie voorstellingen op één dag. Ook mijn tijd bij het Mechels Miniatuurtheater was boeiend maar slopend. We deden alles zelf, ook decors schilderen, maar ook die grote mannen als de gebroeders Verreth, Jaak Van Assche, Mandus De Vos en Tuur De Weert leden soms honger. Het MMT kreeg geen of onvoldoende subsidies. Ik gaf tien jaar les aan de Muziekakademie van Ninove.

Na Duitsland terug naar België?

Ja. Het Koninklijk Ballet van Vlaanderen nam het Arenatheater over om zelf hun Musicalafdeling op te richten.  Wij begonnen met de musical Piaf en herhaalden ook Jesus Christ Superstar en toerden daarmee in Nederland. Het zou vier jaar duren. Ik speelde Peron in Evita, Doolittle in My Fair Lady. Mister Flynn in Chicago. Na vier jaar verliet ik het KBvV om freelance te worden. Ik ging terug songs schrijven en trok met mijn chansons op toer in Vlaanderen.

Om weer chronologisch verder te gaan. In 1990 kwam ‘De Kampioenen’.

Marijn De Valck Boma

Juist, die serie moest de concurrentie met VTM aangaan. Ik kreeg de rol van Boma (foto één) aangeboden zonder auditie te doen. De acteur Marc Peeters werd oorspronkelijk gecast voor de Bomarol, maar hij liet het afweten. Ik stapte meteen mee in de opname van een pilootaflevering en zette mijn Boma neer met een gutturale r (in de keel uitgesproken, nvdr). Door een techniek met de huig sprak ik met een verstopte neus. Ik kwam op het idee om Boma een soort beschaafd Brussels te laten spreken. Ook de catchphrase ‘Mijn gedacht’ was er van in het begin bij. Ik had die eigenlijk geleend bij een al lang gepensioneerde postbode die ook dat typische mijn-gedacht-gebaar maakte. Ik mocht beginnen. Een drama-acteur in een dolkomische rol, dat was een hele uitdaging! Maar het is me gelukt. De Kampioenen zouden geschiedenis schrijven. En de zangcarrière liep simultaan. Tot ik in 1996 met mijn motor crashte. Gedaan met zingen. Indien ik toen de Kampioenen niet had gehad zou ik uit het vak zijn gestapt. Maar de natuur herstelde zich langzaam. Het zou 2004 worden vooraleer ik weer zou aantreden in een Musical. ‘Annie’ betekende mijn comeback. Twee jaar later Domino. Ik kreeg de gelegenheid om Boma te doen vergeten. Zingen, dansen en mensen ontroeren. De Kampioenen hielden op in 2010. Vandaag sta ik met zeven verschillende muzikale producties op de bühne. Van ‘Art Bécaud’ over ‘Hier zingt men Nederlands’ en ‘Devalck sings Dean Martin’ tot het retro Bal ‘Boma on the Rocks’. Want ja, de herhalingen op Eén, het succes van de biscoopfilm ‘Kampioen zijn blijft plezant’ en binnenkort Film 2, maken De Kampioenen onsterfelijk.

21 seizoenen lang, 273 afleveringen en Balthazar Boma kwam in elk van die 273 afleveringen voor. Dat werd u enkel nagedaan door Johny Voners (Xavier) en Danni Heylen (Pascalleke).

In één aflevering kwam mijn personage zeer weinig aan bod. Ik moest de hele tijd aan de toog zitten en maar één of twee zinnetjes zeggen.

De Kampioenen was en is nog zeer populair. 21 jaar lang haalde het gemiddeld meer dan één miljoen kijkers per aflevering. Hoe verklaar je dat?

De herkenbaarheid. Toen ik hoorde dat het over een caféploegje ging wist ik meteen: dat ligt me want ik heb ook gevoetbald in zo’n ploegje. Maar dat succes was niet zo evident. De Kampioenen liep op zaterdagavond en dat is – dat weten alle TV-mensen – minder ideaal dan de zondagavond waarop de mensen niet echt meer uitgaan want ’s anderendaags is ’t werkendag. Maar naar TV kijken doen ze op zondagavond wel.

Er zit vast wel wat van Marijn in Boma maar zit er ook Boma in Marijn Devalck?

Ah ja, dat Bourgondische, mijn gedacht!

In 1992 was je ‘snor van het jaar’ bij de Antwerpse snorrenclub.

Ik woonde toen in Antwerpen. Die snor had ik al heel lang en ze kwamen mij vragen of ik niet ‘snor van het jaar’ wilde zijn. Ik heb dat aangenomen en ik heb van de voorzitter een mooi kettinkje met een gouden snor gekregen, uit dankbaarheid.

Weinig mensen weten dat je ook politiek geëngageerd bent.

Begin 2012 kwam Herman De Croo mij vragen om op de VLD-lijst te staan. Ik heb nagedacht en de uitdaging aangenomen. Ze hadden voor mij de rol van schepen van cultuur en feestelijkheden in het achterhoofd. Maar als putje bij paaltje kwam moest er nog een OCMW-voorzitter zijn. Ik was en ben nog altijd iemand die zich inspant voor mensen met problemen. Ik ben peter van de Vlaamse Vereniging Autisme, ambassadeur van het Rode Kruis, zette mijn schouders onder een project van hippotherapie en nog zoveel meer. De rol van OCMW-voorzitter was nieuw maar het was geen onbekend terrein. Ik heb de OCMW-ploeg opnieuw gesmeed tot een groep van mensen die er samen hun schouders onder zetten. Ik heb mijn artistieke carrière grotendeels in de pauzestand gezet tot het einde van de legislatuur.

Onlangs was je toch nog te zien als de reisgids die in 1000 Zonnen met een minibusje en een groepje gewone mensen naar een toeristische bestemming in de Ardennen trok.

Ah ja, één van die groepen kwam uit Mazenzele. Heel leuke mensen. We zijn er na de opnames nog eentje gaan drinken in Mazenzele. Ik weet nu alles van de Sint-Pieters Gilde. Indrukwekkend moet ik zeggen. En wat ook fijn is: hun Schuttersbier wordt in Brakel gebrouwen.

Nog een paar kleine vraagjes:

Brel of Bécaud? Bécaud natuurlijk want ik zing nog steeds liedjes uit zijn repertoire.

DDT of Fernand Costermans? Het gaat hier over de personages hé: DDT als de smoelen trekkende underdog.

Maggie De Block of Gwendolyn Rutten? Gwendolyn zal het me vergeven: Maggie, ik vind dat zo een mooie, gezellige vrouw. Haar omhelzen als we mekaar eens ontmoeten, dat vind ik zalig.

Sloeber of Hoegaarden Grand Cru? Sloeber omdat Boma eigenlijk ook wel een beetje sloeber is. En het was soms lekker dubbelzinnig als ik kon zeggen ‘Pascalleke wilde mijne sloeber eens aftrekken?’

Op 28 oktober gaat FC Kampioenen – De Film in première. U gaat toch ook kijken? 

Topartikels bij Goeiedag.be